Molentypes in Nederland

Om u een indruk te geven van de verschillende typen molens in Nederland, vindt u onderstaand een, voor zover ik weet, volledig overzicht van alle soorten molens in Nederland.
Eventuele opmerkingen kunt u kwijt op info@molendehaas.nl

U kunt via onderstaande indeling direct naar de diverse molens springen.

     
     Standerdmolen
     Wipmolen
     Spinnekop
     Noord-Hollandse poldermolen
     Zuid-Hollandse poldermolen
     Weidemolen
     Tjasker
     Stellingmolen
     Houtzaagmolen
     Paltrokmolen
     Beltmolen
     Torenmolen
     Amerikaanse windmotor
     Waterradmolen
     Rosmolen
   



Standerdmolen

De standerdmolen (of staakmolen) is het oudste houten molentype van Nederland en is veel te zien op prenten uit de Gouden Eeuw (1600 - 1700). Er zijn van dit type nog ca. 40 molens van bewaard gebleven, voornamelijk staan ze nog in Gelderland, Noord-Brabant, Limburg en Zeeland. In de molenkast zitten de complete aandrijving en de maalstenen. Deze kast steunt en draait om een zware spil of standerd (in Vlaanderen: staak genoemd) die tot beneden doorloopt. Alle standerdmolens zijn korenmolens; aan de achterzijde is vaak een kapje te zien waaronder een door de wind aangedreven luias zit voor het hijsen van zakken graan en meel (het luiwerk). Afhankelijk van de omstandigheden of het ondergedeelte geheel gesloten dan open is, spreekt men van een gesloten of open standerdmolen. De molen op de foto is van het gesloten type. In Limburg heeft het onderstel vaak alleen een dak. Hier spreekt men dan over een half-gesloten standerdmolen.


Terug naar boven




Wipmolen

De wipmolen is het oudste type poldermolen en ontwikkelde zich begin 15e eeuw uit de standerdmolen. Bij deze molen is het hele bovenhuis met staart draaibaar om een koker, die in verticale stand wordt gehouden door de piramidevormige constructie van de ondertoren. Grotere wipmolens hebben woonruimte in het onderstuk. Het bovenhuis van de wipmolen is soms in felle kleuren geschilderd (bijvoorbeeld rood-wit in het Rijnland). In het rivierengebied zijn de bovenhuizen vaak donkerbruin geteerd. Het 'wippen' komt van het schudden van de molen als het hard draait. Dit type molen is meestal voorzien van een scheprad aan de buitenzijde; de vijzel kwam pas na 1634 in gebruik.


Terug naar boven




Spinnekop

De spinnekop is het kleinste type wipmolen en komt nu nog uitsluitend voor in Friesland. Vroeger stonden er ook exemplaren in Groningen en Overijssel. Het onderstuk is vaak met dakpannen bedekt. De koker, waar het bovengedeelte om kan draaien, is net als bij de wipmolen hol. Door deze holle koker loopt een houten as, die met diverse tandwielen de windkracht overbrengt op de vijzel. Spinnekopmolentjes waren vaak eigendom van boeren, evenals tjaskers. Ze waren wat duurder dan de tjasker, maar het loopwerk was beter beschermd tegen weer en wind.


Terug naar boven




Noord-Hollandse poldermolen

De Noord-Hollandse poldermolen lijkt veel op de Zuid-Hollandse poldermolen, maar is wat zwaarder van vorm. De onderbouw is hier niet van steen maar van hout. Het is een 'binnenkruier', het verkruien (op de wind stellen van de kap met wiekenkruis) geschiedt boven in de molenkap, waardoor de molen aan de achterzijde van de kap geen staart nodig heeft. Dit molentype, dat in de tweede helft van de 16e eeuw zijn intrede deed, komt vrijwel niet buiten Noord-Holland voor (Noord-Holland betekent in dezen Noord-Holland boven het IJ). De stok met touw aan de achterzijde van de kap (wipstok en vangtouw) heeft als functie om vanaf de grond de vang (rem) in de kap te kunnen bedienen. In de kap, achter de wieken zit het bovenwiel met de vang, dat qua werking doet denken aan een trommelrem. Alle windmolens hebben een soortgelijke constructie. Droogmakerijen werden meestal door een molengang van drie à vier molens trapsgewijs drooggemalen. In Noord-Holland wordt een molen bij diverse festiviteiten erg mooi versierd


Terug naar boven




Zuid-Hollandse poldermolen

De Zuid-Hollandse poldermolen, of 'achtkanter' wordt gezien als de 'klassieke poldermolen'. Deze molen heeft zich ontwikkeld vanuit de binnenkruier, die zich alleen in Noord-Holland heeft weten te handhaven. Het is een 'buitenkruier', bestaande uit een achtkante stenen onderbouw en een mooi gedetailleerd, met riet bekleed achtkantig molenlichaam. De kap van deze molen is beweegbaar en op de wind te kruien met behulp van het staartwerk en het daaraan bevestigde kruirad. Door het wielenkruis recht op de wind te zetten kan de molen zijn maximale kracht ontwikkelen. Net als de Noord-Hollandse poldermolen staat deze molen ook vaak in een molengang. In het noorden van het land komen zogenaamde 'monniksmolentjes' voor. Dit zijn kleine weidemolens die enigszins lijken op de Zuid-Hollandse poldermolen.


Terug naar boven




Weidemolen

De weidemolen wordt ook wel 'aanbrengertje' genoemd en was net als de spinnekop en de tjasker eigendom van een boer. De molen werd in het algemeen gebruikt voor het onderbemalen van een weiland. Dit type weidemolen had bijna geen bediening nodig, omdat de grote windvaan aan de achterzijde van de draaibare kop ervoor zorgt dat de molen altijd goed op de wind staat. Weidemolens kwamen voor in Noord- en Zuid-Holland, maar alleen in Noord-Holland zijn nu nog enkele exemplaren te zien.


Terug naar boven




Tjasker

De tjasker is een zeer eenvoudig type poldermolen en kwam vooral voor in het veengebied van Friesland, in West-Groningen en de kop van Overijssel. Het geringe hoogteverschil wordt met behulp van een gesloten tonvijzel overbrugt (de meeste andere poldermolens hebben een open vijzel in plaats van een gesloten vijzel). Deze molen, die meestal eigendom was van een boer, staat op een bok met daaronder rollen of op een paal en is met de hand op de wind te zetten. Een tjasker kan een weiland van maximaal vier hectare bemalen. Als het weiland 's winters blank stond, werd de tjasker veelal gedemonteerd en binnen opgeslagen. Tjaskers werden ook gebruikt bij grote turfgraverijen om de delfputten vrij te houden van grondwater. Er bestaan nog een paar tjaskers.


Terug naar boven




Stellingmolen

Een molen die binnen de bebouwing staat moet hoog zijn om voldoende wind te vangen. Om in dat geval de molen te kunnen bedienen moet er halverhoogte een stelling (plankier die om het molenlichaam loopt) komen. Men spreekt dan van een 'stellingmolen'. Molens zonder stelling, waarvan de wieken dus bijna de grond kunnen raken, worden 'grondzeilers' genoemd. Beneden beschikt men over een grote ruimte om met paard en wagen of auto naar binnen te kunnen rijden. Dergelijke stellingmolens zijn korenmolens, oliemolens, pelmolens, etc.; hoewel er in Nederland drie stellingpoldermolens zijn (Amsterdam-Sloten, Hoek van Holland en Gouda). De hoogste molen ter wereld is een stellingmolen: één van de vijf stadsmolens van Schiedam is tot aan de bovenste wiek bijna 45 meter hoog. In Noord-Duitsland hebben stellingmolens een windroos waardoor het kruien automatisch gaat. Hiervan is er maar één van in Nederland (De Sterreberg in het Drentse Nijeveen).


Terug naar boven




Houtzaagmolen

De houtzaagmolen is een industriemolen. De stelling dient om de molenaar in staat te stellen de krui-inrichting te bereiken. Deze molen werd gebruikt voor het wat zwaardere werk; voor het zagen van planken werden vroeger vooral paltrokmolens gebruikt. Dergelijke industriemolens waren vooral talrijk langs de rivier de Zaan.


Terug naar boven




Paltrokmolen

De paltrokmolen is een ouder type houtzaagmolen. De paltrok kon in zijn geheel kruien, waardoor het een 'onderkruier' is, en was ingericht tot het zagen van boomstammen (die destijds voornamelijk over water werden aangevoerd). In het algemeen werden de paltrokmolens gebruikt voor lichter zaagwerk dan andere houtzaagmolens. De paltrok is genoemd naar de kleding die eertijds in de Duitse Pfalz werd gedragen. Er zijn van de honderden paltrokmolens, waarvan er 230 langs de Zaan stonden, nog vijf exemplaren over: Zaandam, Zaansche Schans, Amsterdam, Haarlem en Arnhem (Openluchtmuseum).


Terug naar boven




Beltmolen

De beltmolen, die ook wel bergmolen genoemd wordt, is op een natuurlijke of kunstmatige heuvel gebouwd die de functie van de stelling overneemt. In de heuvel is aan twee zijden een doorgang waardoor paard en wagen de molen binnen konden rijden en er aan de andere kant weer uit konden. Beltmolens zijn meestal korenmolens.


Terug naar boven




Torenmolen

De torenmolen is een binnenkruier die, wat zijn eerste vermelding betreft, ouder is dan de Noord-Hollandse poldermolen. Dit type ronde, stenen graanmolen wordt reeds in 1450 genoemd en is nog aanwezig in Lienden, Zeddam, Zevenaar (Gelderland) en Gronsveld (Limburg). Van deze molen is alleen de kap van binnen uit verkruibaar.


Terug naar boven



Amerikaanse windmotor

Als opvolgers van de klassieke typen Nederlandse wind- en watermolens kunnen de Amerikaanse Windmotor (zie foto) en de windturbine genoemd worden. De windmotor, ook wel 'Amerikaan' genoemd, werd rond het jaar 1900 vanuit de VS en Canada voor de kleinere polderbemaling vooral in Friesland geïntroduceerd. Het is een metalen windrad met één of twee metalen staartvinnen om de 'molen' automatisch mee op of uit de wind te zetten. De windturbine is de moderne variant van de molen en wordt gebruikt om electriciteit mee op te wekken.


Terug naar boven



Waterradmolen

Waterradmolens komen voor in geaccidenteerd terrein in vooral Oost- en Zuid Nederland. Indien de beek waarin de molen gebouwd werd voldoende verval had, werden bovenslagraderen aangebracht. Het water viel dan op de raderen, wat meer energie oplevert [afbeelding]. Andere typen zijn middenslagmolens en onderslagmolens. De molen op de foto heeft een onderslagrad. Dergelijke watermolens werden al in de 13e eeuw gebouwd voor het malen van graan, slaan van olie uit oliehoudende zaden en papierfabricage. Op het hoogtepunt van de papierfabricage, midden 18e eeuw, stonden er aan de oostelijke Veluwezoom 174 papierfabrieken. Op de Veluwe werden vaak kunstmatige bronnen ('sprengen') gegraven om de watermolens te voeden.
Toen de papierfabricage mechaniseerde werden veel waterradmolens omgebouwd tot wasserijen. In Limburg werd in het begin van de 20e eeuw bij veel waterradmolens het waterrad vervangen door een waterturbine.


Terug naar boven



Rosmolen

Een minder opvallend en daardoor minder bekend molentype is de rosmolen. Vroeger veelal gebruikt om met paardentractie in windstille periodes toch meel te kunnen produceren en op kleinschalige wijze b.v. olie te slaan of om boekweit te malen (gruttersmolen). Op de foto ziet u een variant waarbij de paarden binnen lopen.


Terug naar boven









Updated: maart 2009